De RK kerk te Cabauw

In de archieven verschijnt de naam Cabbau voor het eerst in het jaar 1254. Het is dan in bezit bij Jan van der Lede, heer van Haastrecht.
De kerkgemeenschap van Cabauw kwam tot bloei in de 14e eeuw. Er stond toen een kerk in het dorp Lopik en omstreeks 1500 werden er kapellen gebouwd in Lopikerkapel en Cabauw.
Bij de reformatie in de 16e eeuw, bleef Cabauw in meerderheid het Rooms Katholieke geloof trouw en werd het dorp een katholieke enclave in de overigens in zijn algemeenheid protestante Lopikerwaard.

Pentekening door Chr. Schut, sept. 1968

In 1679 werd er -met financiële hulp van ambachtsheer Cornelis de Nobelaer- in Cabauw een schuilkerk gebouwd. Toen ontstond de parochie (statie) Cabauw, die behalve voor de dorpsbewoners, ook bestemd was voor de zogenoemde 'buttenluyden' van Schoonhoven. Daartoe behoorden de katholieken uit Zevender, Willige Langerak, Cabauw, Jaarsveld en Lopik tot aan Uitweg, Noord- en Zuid-Polsbroek en het Benedeneind van Benschop. Deze parochianen van het omringende platteland waren zo'n 400 in getal.
Het dorp Benschop en het Boveneind, Jaarsveld en Lopik vanaf Uitweg tot en met Lopikerkapel behoorden toen bij de parochie van IJsselstein.

De familie De Nobelaer had als beschermheilige Sint Jacobus. Om die reden werd de schuilkerk -en later ook haar opvolgers- gewijd aan deze patroonheilige.

Al in 1820 werden plannen gemaakt om de schuilkerk te vervangen door een 'echte' kerk, maar het zou nog tot 1846 duren voordat de schuilkerk plaats maakte voor een nieuw gebouw.
Dat ook dit kerkgebouw niet voldeed, blijkt uit een opmerking van het kerkbestuur van de zeventiger jaren van de 19e eeuw: "de vrouwen (zitten) veel te digt op elkander en ook de mannen zijn alles behalve zoo als 't behoort geplaatst en mitsdien zoude een of andere wijziging gewenscht zijn".

Het kerkgebouw, zoals dat in Cabauw stond tussen 1846 en 1926

Al vanaf 1908, werd er serieus nagedacht over de bouw van een nieuwe kerk. Een zuinig uitgavenbeleid en een creatieve manier van geldinzamelen door pastoor Vinke (naar verluidt gebruikte hij de kennis die hij had als 'geestelijk adviseur' van de Boerenleenbank, over de hoogte van het spaartegoed van zijn parochianen, om hen te manen tot een grotere gift dan zij aanvankelijk in gedachten hadden) brachten de nodige financiën bijeen.
De bouwvergunningen voor de noodkerk en de nieuwe kerk zijn op 5 oktober 1926 verleend door burgemeester en wethouders van Willige Langerak. In 1926 werd het kerkje uiteindelijk afgebroken en werd een noodkerkje gebouwd, dat dienst deed in de jaren 1926 t/m 1928. De bouw van deze noodkerk en de sloop van het oude kerkgebouw werden gelijktijdig aanbesteed. De heiwerkzaamheden voor de nieuwe kerk begonnen in de herfst van 1926 en duurden tot diep in de winter.

Alle bouwwerkzaamheden en de daaraan voorafgaande beslommeringen vonden plaats onder het toeziend oog van 'bouwpastoor' H.J. Vinke, een telg uit het koopmansgeslacht Vinke, dat ook banden had met Vroom & Dreesmann. Zijn koopmansgeest kwam hem goed van pas bij het inzamelen van de voor de bouw benodigde gelden. De bouw van de nieuwe kerk werd uitgevoerd door aannemer De Korte uit Vianen. Het ontwerp van de kerk kwam van Herm Kroes en Zoon, architecten te Amersfoort. Dit bureau had ook een ontwerp gemaakt voor een nieuwe pastorie, maar de bouw hiervan ging uiteindelijk niet door, omdat er onvoldoende geld voor beschikbaar was. Het betonwerk voor de fundering en de verwarmingskelder werd gegund aan de N.V. Betonmaatschappij v/h Begram van Eeten & de Bruyne te Amsterdam. De bouwkosten beliepen uiteindelijk F.144.080,-, exclusief de inrichting.

Het kerkgebouw is 45 meter lang, 28½ meter breed en 20,7 meter hoog. De toren met crucifix en windhaan is 47½ meter hoog.

Ontwerptekening van de architect

Op 9 juli 1928 werd de kerk ingezegend door de aartsbisschop van Utrecht, Mgr. Van de Wetering.

Het interieur van de kerk heeft sinds haar bestaan maar heel weinig veranderingen ondergaan. Dit is een belangrijke reden geweest om het gebouw te plaatsen op de monumentenlijst.

In de Tweede wereldoorlog werden de klokken uit de toren gevorderd door de Duitse bezetter. Na de bevrijding werden drie nieuwe klokken aan de kerk geschonken.
Anno nu telt de Jacobuskerk zo'n 1850 parochianen.

© Nieko Jongerius - 2006

Bronnen:
Het hart van de Lopikerwaard door de eeuwen, Dries van Kats, 2e druk, 2003
Lopik; geschiedenis en architectuur, Fred Gaasbeek en Teun Winkelman, 1996.
Op ontdekkingstocht door Krimpenerwaard en Lopikerwaard, F. van den Hoven cs, 2002

Met hartelijke dank aan Gert van Beek