In 1589 ontstond voor het eerst het idee om grote delen van Holland
tegelijkertijd te verdedgen, in plaats van het tot dan gebruikelijke systeem
om per vesting(-stad) de defensie ter hand te nemen.
Door middel van het onder water zetten (inunderen) van grote stukken land,
bemoeilijkte men de vijand deze linie te overschrijden. De inlaatpunten
voor het water in de linie werden verdedigd door fortificaties, evenals
de verhoogde wegen (accessen). Met betrekkelijk weinig militairen kon de
Waterlinie worden verdedigd.
In de Zeventiende Eeuw werd ook de Krimpenerwaard
in deze Oude Hollandse Waterlinie opgenomen, waarbij Schoonhoven
de belangrijkste schakel vormde.
De Oude Hollandse Waterlinie, die in 1672 het leger van Lodewijk de Veertiende
verhinderde Holland binnen te trekken, liep van de Zuiderzee via o.a. Woerden
en Nieuwpoort naar de Biesbosch. Men liet zo´n 30 cm water op de
polderweilanden lopen. Het water was onvoldoende diep om te bevaren en
het doorwaden ervan was praktisch onmogelijk, mede omdat alle sloten onzichtbaar
waren geworden.
Na 1815 werd de stad Utrecht permanent binnen de linie gebracht, waarmee
een begin werd gemaakt met de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tot 1822 had
de Oude Hollandse Waterlinie militaire betekenis; daarna werd de Nieuwe
Hollandse Waterlinie in gebruik genomen. Deze liep een stuk meer oostelijk,
langs de oostgrens van de stad Utrecht.