Onder de naam 'De Snackert' werd al in de Zeventiende Eeuw op de Lek
bij Ammerstol gevist op zalm. De Snackert was een visserij-bedrijf, waar
rond het hegin van de Twintigste Eeuw ongeveer 50 mensen werkten, onder
leiding van twee bazen. Ze werkten in twee ploegen: twaalf uur op, twaalf
uur af (hoezo, Arbo-wetgeving?). De werkweek liep van zondagmiddag 6 uur
tot zaterdagmiddag zes uur. Tijdens de vloed hadden de vissers enige uren
rust. Men viste met drie netten (zegens).
In het z.g. bazenkeetje, stond een groot bord, waarop werd genoteerd hoeveel
zalm en elft werd gevangen. Meegeviste bliek en ruisvoorn was voor de vissers.
De
zegens waren 365 meter lang en 10 ½ meter breed. Deze netten waren
aan de onderkant voorzien van afgeronde stenen of metalen schijven, die
over de bodem van de rivier sleepten. Door een radarstoombootje,
De Snackert geheten, werd dit net over de gehele breedte van
de rivier uitgezet. Zo werd de rivier overspannen met vier netten, die
na een tijdje één voor één werden binnengehaald.
Bij het binnenhalen van het vierde en laatste net werd de meeste zalm gevangen.
Deze werd met grote schepnetten met lange stelen binnengehaald.
De gevangen zalmen werden direct naar de visafslag gebracht, waar zij werd
verkocht. De zwaarste zalm ooit in Ammerstol gevangen, woog 57 pond.
Ook in die tijd werd de Lek al druk bevaren door zeilschepen en stoomboten.
Naderde zo'n schip, dan hadden
twee mannen in een roeiboot, ook wel zinkboot genoemd, de taak om de bovenkant
van het net met zware metalen schijven te verzwaren, waardoor het naar
de bodem zonk. Als het schip voorbij was, werd het net met deze schijven
weer naar boven gehaald met behulp van sterke haken. De zinkboot was altijd
wit geverfd, zodat hij goed opviel. Voor passerende schepen diende de zinkboot
ook als baken: op de plek waar dat bootje lag, kon een schip veilig over
het net heen varen.
Rond het jaar 1900 was de zalmvisserij nog steeds een van de belangrijkste bronnen van inkomen voor de inwoners van Ammerstol en omgeving. Al moeten we daarbij bedenken dat het maar een schamel inkomen was: in die tijd verdiende de best betaalde visser, de haalbaas, zo'n twaalf gulden per week. Als het 's winters vroor, kon er niet worden gevist en ook in de zomer mocht er een week of zes niet gevangen worden. Dan waren er dus ook geen inkomsten!
De bloeiende zalmvisserij zorgde voor veel werkgelegenheid in andere
bedrijfstakken.
Zo werd de vis doorgaans vervoerd in manden, die werden vervaardigd in
nabijgelegen mandenmakerijen. Ook aan touw was grote behoefte, waardoor
ook in de touwindustrie volop werk was.
Aan de zalmvisserij op de Lek kwam een eind in de eerste jaren van de Twinstigste Eeuw: de laatste zalm uit de Lek werd in 1921 boven water gehaald.