De
gietijzeren ophaalbruggen in de Krimpenerwaard
door Abe Maaijen
Het einde van de 18e eeuw is een periode waarin de financiële toestand
van de Krimpenerwaard alles behalve rooskleurig is. Het land levert weinig
op en ingezetenen zijn niet meer in staat een goed inkomen te verwerven.
Onder deze omstandigheden zien investeerders hun kans schoon om een oud
plan uit de la te halen. De grond is nu weinig waard en kan dus voor weinig
worden gekocht. Zo wordt de kiem gelegd voor een grootscheepse onderneming:
De Geoctroyeerde Vervening van de Krimpenerwaard.
Op
23 juni 1797 krijgt deze onderneming toestemming van de Staten van Holland
om het gebied ten westen van Stolwijk te vervenen en zo turf te winnen
als brandstof voor fabrieken en woningen in de steden. Deze toestemming
is het startsein voor activiteiten die het aanzien van de polder binnen
enkele jaren aanzienlijk veranderde. Zo moest rondom het project een ringdijk
worden aangelegd (lang 4964 roeden zo'n 18,7 km). Om de specie voor deze
dijk van elders aan te kunnen voeren, groef men een ringvaart die in verbinding
stond met de Hollandse IJssel. Schutsluizen bij Stolwijkersluis en in de
Berkenwoudense Boezem moesten het waterpeil in de polders en in de ringvaart
regelen.
Brug bij de toegang tot de Tiendweg
Grote aantallen arbeiders groeven ondertussen de ringvaart.
Na voltooiing van dit karwei in 1803 werden acht houten bruggen gelegd
(zie kaartje). Het project verliep echter weinig
succesvol. De kwaliteit van de turf liet te wensen over en men gaf ook
steeds meer de voorkeur aan steenkool. De opbrengsten dekten al spoedig
de kosten niet meer. Zo kwam er vijftien jaar na de aanvang een voorlopig
einde aan de vervening. De toestand van de waterstaatswerken ging inmiddels
wegens gebrek aan onderhoud sterk achteruit.
Het Hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard vond in 1832 de staat van de
sluis in Stolwijkersluis dermate zwak, dat ze deze liet afdammen.
In 1858 trokken de opvolgers van de Staten van Holland, n.l. Gedeputeerden
Staten, het octrooi tot vervening in en stelden de eigendommen onder beheer
van het Hoogheemraadschap.
Maar zoals altijd keert het tij en in het laatste kwart van de negentiende eeuw bloeit de economie op. De veeteelt doet goede zaken dus moet er veevoeder en bouwmateriaal voor hofsteden worden aangevoerd. In 1888 wordt dan f. 56.000,- uitgetrokken voor het herstel van de sluis bij Stolwijkersluis, de verdieping van de ringvaart en voor de vernieuwing van vijf bruggen. Het gaat om de bruggen van de Tiendweg bij Stolwijkersluis, de Beijerscheweg, de Benedenkerkseweg Noord- en Zuidzijde en de Koolwijkseweg, allen te Stolwijk. De bruggen worden gemaakt, en wel door de alom bekende ijzergieterij Prins van Oranje te 's Gravenhage.
2000.
Veel herinnert nog aan de geschiedenis van het veen. De Provinciale Weg
tussen Bergambacht en Gouda loopt goeddeels over het voormalig tracé
van de ringdijk. De ringvaart zelf vervoert sinds enige tijd geen binnenschepen
meer maar vervult nog wel een cruciale rol in de waterhuishouding van de
polder. De schutsluis bij Stolwijkersluis heeft onlangs de monumentenstatus
gekregen, en wacht nu op een restauratie.
En de bruggen? Daarmee is het minder goed gesteld. Van de oorspronkelijke
vijf zijn er op dit moment nog vier in gebruik. Omstreeks 1970 is de meest
zuidelijk gelegen brug, ter hoogte van de Koolwijkseweg, verwijderd. Dit
onherstelbaar verlies kan men wijten aan het toentertijd slecht ontwikkelde
historisch besef van het eigen cultuurgoed. De
gietijzeren brug die toegang geeft tot de Beijerscheweg is in
1993 het slachtoffer geworden van een aanrijding door een zware en grote
vrachtwagen [feitelijk te zwaar en te groot voor de B-weg die de Beijerscheweg
is]. Kort na het ongeluk werd de negentiende-eeuwse brug gesloopt, en in
stukken in de berm aan zijn lot overgelaten. De Beijersche brug was niet
bestand tegen het geweld van te groot en te zwaar vrachtverkeer. Maar het
gaat hier om een ongeluk niet om kwade opzet of onwetendheid.
Sinds
de sloop van de Koolwijkse brug is het besef ontstaan dat deze onvervangbaar
was. Steeds meer heeft men oog gekregen voor landschappelijke, infrastructurele,
bouwtechnische en culturele getuigenissen van onze nationale in regionale
geschiedenis. Een schrijnende vergissing zoals toen kan en mag nu niet
meer worden gemaakt. De tijden zijn veranderd en bieden ruimte voor waardering
en bescherming van het cultuurgoed. Hetgeen ook al tot uiting komt door
de monumentenstatus die is verleend voor de schutsluis. De erkenning van
de historische en culturele waarde van de gietijzeren ophaalbruggen kon
daarom niet beter worden uitgedrukt dan door de Beijersche brug in ere
te herstellenen, zoals uiteindelijk in 2006 ook is gebeurd.
Enkele foto's van de vernieuwde brug zijn te zien op de website
van de Historische Vereniging Oud Stolwijck.
ing. A.F. Maaijen
Bronnen:
De waterkeeringen, waterschappen en polders van Zuid-Holland door Jhr.
L.F. Teixeira de Mattos.
Het hoogheemraadschap van de Krimpenerwaard en zijn geschiedenis door A.P.
Weggeman Guldemont.
Begin 2001 zijn de twee
bruggen bij de Benedenkerkseweg en de brug bij de Tiendeweg aangewezen
als beschermd rijksmonument. Hun voortbestaan is daarmee verzekerd.