De
Walvisvaart vanuit Krimpen aan de Lek
In de achttiende eeuw was in Krimpen aan de Lek een rederij gevestigd, die zich had gespecialiseerd in de walvisvaart. Veel commandeurs (gezagvoerders, kapiteins) op de schepen van de vloot van deze Rederij Van Holst, waren afkomstig uit het dorp Krimpen aan de Lek of de directe omgeving. Dat gold trouwens ook voor de bemanning. Er werd uitsluitend gevaren in de periode van april tot en met juli, als de viswateren rond groenland en Noord-Canada wat minder koud zijn als anders.
De
walvisvangst was in die tijd een gevaarlijke bezigheid. Het begon al op
de heenreis, op de Noordzee en de Atlantische Oceaan, waar in de achttiende
eeuw nog volop piraten actief waren. Om die reden werd men vaak geëscorteerd
door oorlogsschepen. Ook kruiend poolijs vormde een gevaar: bewegend ijs
is door niets tegen te houden en heeft destijds een aantal schepen van
walvisvaarders gekraakt en tot zinken gebracht.
Dan was er de gevreesde ziekte scheurbuik, veroorzaakt door een gebrek
aan vitamine C. In die tijd was scheurbuik de belangrijkste doodsoorzaak
onder zeelieden. Dat het walvisspek een goede remedie tegen 'scorbuut'
was, werd pas later ontdekt.
Ook de niet te voorspellen snelle weersveranderingen, dikwijls binnen enkele
minuten, van zonnig en rustig weer in een razende sneeuwstorm, maakten
het moederschip en de sloepen uiterst kwetsbaar, zeker aan de rand van
het pakijs.
Maar het grootste gevaar was de walvis zelf. Als de kleine vangstsloep
te ver bij de walvis vandaan voer, had de harpoen weinig nut. Het varen
te dicht bij de gevaarlijke staart kon de dood tot gevolg hebben. Werden
walvissen gesignaleerd vlak bij het pakijs nam het risico nogeens fors
toe: wanneer een walvis was geharpoeneerd schoot die vaak onder het pakijs,
de sloep meetrekkend met als gevolg dat de sloep tegen het ijs te pletter
sloeg of totaal onder het ijs werd getrokken met bemanning en al. Het binnenhalen
van een vele tonnen wegende en voor zijn leven vechtende kolos, vereiste
een perfecte samenwerking van de bemanning en leidde niet zelden tot ongelukken.
Afhankelijk van de grootte van de te vangen walvis, waren drie tot vijf
vangstsloepen actief om één walvis te doden.
Als
de situatie zich daarvoor leende, werd de overwonnen walvis naar het strand
gesleept en aldaar ontdaan van alle bruikbare delen. Was er geen strand
in de buurt, dan gebeurde dat aan de zijkant van het moederschip. Daarna
verdween het overgebleven karkas naar de diepte
Ook -en met name- tijdens de terugreis lagen de piratenschepen weer op de loer. Klaarblijkelijk was de opbrengst van de walvisvaart voor de rederij en de officieren zó groot, dat men al deze gevaren op de koop toe nam. Daarbij dient te worden vermeld dat een groot deel van de bemanning niet uit zucht naar avontuur aanmonsterde, maar gedreven werd door pure armoede thuis.
Thuisgekomen werd het vet gekookt in de traankokerijen. Dit vormde de basis voor producten als zeep, lampolie en kaarsen. Na het koken van het walvisspek werd van het residu vaak nog lijm gemaakt in zogeheten prutkokerijen. De ruwe traan werd na het koken behandeld met run, dat is gemalen eikenbast dat tannine (looizuur) bevat. In de buurt van de grotere traankook-centra bevonden zich meestal een of meerdere runmolens.
Door
rederij Van Holst werden In de periode 1714 - 1786 tweeentachtig reizen
gemaakt. Van twaalf gebruikte schepen zijn de namen bekend: 't Dorp Krimpen,
de Czaar van Dordt, 's Lands Welvaren, de Hoop van Dordt, den Dam, de Hoop
van Goede Vrienden, de Jan, de Vogel Phenix, de 3 Helde Davids, de Jonge
Zander, de Jan en Johanna en tenslotte de Twee Gesusters.
In totaal werden in deze periode 257 walvissen gevangen, welke 9462 vaten
spek hebben opgeleverd. Vierenzestig reizen gingen naar Groenland bij Spitsbergen
en zeven reizen naar Straat Davis, het gebied tussen Groenland en Canada.
Van elf gemaakte reizen zijn geen gegevens bekend.
Tegenwoordig herinnert alleen de walvis op de kerktoren van het dorp
nog aan dit bijzondere hoofdstuk van de geschiedenis van Krimpen aan de
Lek.
Bronnen:
Historische Encyclopedie Krimpenerwaard, 5e jaargang, nummer 4
Oog in oog met het Groene Hart van Holland door Egbert de Kuijper
KRIMPEN door de eeuwen heen door Leen Boon.
Met hartelijke dank aan H.A. van der Velde en Martin de Gruijl.